Religie
De late middeleeuwen kenden nog niet de diversiteit van geloofspraktijken van vandaag. West-Europa was katholiek. De reformatie moest nog komen en moslims kwamen in de regio in het geheel niet voor. Wel had vrijwel iedere stad een klein aantal joodse inwoners, maar zij stonden buiten de maatschappij. Ondanks deze schijnbare eenvormigheid was het godsdienstig leven in beroering.
Kerkelijke Opdrachtgevers
Het katholieke ’s-Hertogenbosch telde veel kloosters, kerken en kapellen gesticht. De geestelijke stand nam de zielzorg op zich van de burgers verpleegde de zieken en begroef de doden maar beheerste ook de productie van boeken. Die geestelijkheid was een belangrijke opdrachtgever voor kunstenaars. Al die nieuwe gebouwen moesten ingericht worden gedecoreerd naar de eisen van de tijd. Ongetwijfeld heeft Bosch hiervan kunnen profiteren.
Spanning
Kloosters waren zoveel mogelijk "self-supporting" en hadden dus zaken als weefgetouwen en bierbrouwerijen. Omdat het echter geen commerciële instellingen waren, werd hun geen belasting opgelegd. Toen mettertijd het aantal kloosterlingen en daarmee ook de productie toenam, kwam er steeds meer verzet van de lekenbevolking. Immers, ruim 6% van de bevolking was als religieus ontheven van belasting en dus moesten de anderen meer betalen. Daarnaast zorgden ze, door goedkope werkkrachten, voor oneigenlijke concurrentie, met name in het geval van de lakenproductie.
Kritiek
Burgers hadden in de tijd van Bosch al veel gewonnen, waar het gaat om inspraak in het wereldlijk bestuur. Hun kritische houding richtte zich vanaf ongeveer 1450 ook op de gebruiken van de kerk en de geestelijken. Zo kwam er steeds meer kritiek op het feit dat er geestelijken waren die niet celibatair leefden, en was er onvrede over de wildgroei van de verkoop van ‘aflaten’ en relieken. Aflaat is een strafvermindering in het vagevuur, na de dood en een reliek is een lichaamsdeel, kledingstuk of voorwerp van een heilige waaraan bijzondere kracht of genezende werking wordt toegeschreven.